Watt naar ampère omrekenen
Vul het vermogen in watt in en zie direct hoeveel ampère een apparaat trekt. Kies gelijkstroom, wisselstroom (1 fase) of driefasen; zonder spanning rekenen we met 230 V, en met 400 V bij driefasen.
In watt; 2,3 kW mag ook.
In ampère.
In volt. Leeg = 230 V (Nederland, Europa), of 400 V bij driefasen. In de VS is het 120 V.
Leeg = 1 (verwarming, lampen). Motoren en voedingen: 0,8 tot 0,95.
Vul de velden in; de uitkomst verschijnt hier direct.
Zo reken je het uit
Zo werkt het
-
Vul de waarden in
Typ de getallen of de formule. Kommagetallen mogen met een komma. Geen idee? Klik op Voorbeeld invullen.
-
Direct de uitkomst
Het antwoord verschijnt terwijl je typt, met de belangrijkste tussenwaarden erbij.
-
Bekijk de uitleg
Onder "Zo reken je het uit" zie je de stappen, handig om je eigen berekening te controleren.
Zo reken je watt om naar ampère
Stroomsterkte volgt uit het vermogen en de spanning:
- Gelijkstroom (DC): I = P ÷ U
- Wisselstroom, 1 fase: I = P ÷ (U × cos φ)
- Driefasen: I = P ÷ (√3 × U × cos φ), met U de spanning tussen twee fasen (400 V)
Een waterkoker van 2300 W op 230 V trekt 2300 ÷ 230 = 10 A. Als vuistregel kost 1000 W op 230 V ongeveer 4,3 A.
Watt en ampère bij 230 V (1 fase, cos φ = 1)
| Vermogen | Stroomsterkte |
|---|---|
| 100 W | 0,43 A |
| 500 W | 2,17 A |
| 1000 W | 4,35 A |
| 2000 W | 8,70 A |
| 3000 W | 13,04 A |
| 3680 W | 16 A |
Een groep van 16 A kan dus zo'n 3680 W leveren. Staan er meer apparaten op één groep, tel dan de vermogens bij elkaar op.
Wat is cos φ?
Bij wisselstroom loopt de stroom bij motoren, transformatoren en voedingen niet precies gelijk met de spanning. Dat verschil heet de arbeidsfactor (cos φ). Bij verwarming en gloeilampen is die 1; bij motoren ligt hij vaak tussen 0,8 en 0,9. Een lagere arbeidsfactor betekent meer stroom voor hetzelfde vermogen. Laat je het veld leeg, dan rekenen we met 1.
Zekering en kabel
De tool laat de eerstvolgende standaardzekering zien (6, 10, 13, 16, 20, 25, 32, 40, 50 of 63 A). Dat is een indicatie: de juiste zekering en kabeldikte hangen ook af van de lengte, de manier van leggen en het type belasting. Laat aanpassingen aan je installatie over aan een erkend installateur.
Andersom rekenen? Gebruik ampère naar watt. Wil je weten wat een apparaat kost? Probeer de stroomkosten berekenen.
Voorbeelden buiten de waterkoker
| Apparaat | Vermogen | Aansluiting | Stroom |
|---|---|---|---|
| Laadpaal | 11 kW | 3 fasen, 400 V | 15,9 A per fase |
| Laadpaal | 22 kW | 3 fasen, 400 V | 31,8 A per fase |
| Kachel | 1500 W | 120 V | 12,5 A |
| Telefoonlader | 20 W | 5 V gelijkstroom | 4 A |
De laadpaal van 11 kW rekent als 11.000 ÷ (√3 × 400) ≈ 15,9 A, daarom kan een driefasenaansluiting van 16 A hem aan.
Continu belasten in de VS
Een groep van 15 A op 120 V is goed voor 1800 W, maar een continue belasting hoort onder 80% daarvan te blijven: 12 A, oftewel 1440 W. Een kachel van 1500 W zit dus net boven wat die groep continu hoort te dragen. Voor de kosten van het gebruik is er stroomkosten berekenen.
Groepen en kabels
De calculator toont de volgende standaardgroep. Zie het als richtlijn: kabellengte, manier van aanleggen en soort belasting bepalen de echte keuze, en aanpassingen aan je installatie horen bij een erkend installateur.
Veelgestelde vragen
Hoeveel ampère is 1000 watt?
Bij 230 V ongeveer 4,35 A. Bij 120 V, zoals in de VS, is 1000 W 8,33 A. Hoe lager de spanning, hoe meer stroom hetzelfde vermogen nodig heeft.
Hoe weet ik of een groep overbelast is?
Tel het vermogen op van alles wat tegelijk aanstaat en deel door de spanning. Een groep van 16 A op 230 V draagt hooguit 3680 W, dus een waterkoker (2300 W) plus een kachel (2000 W) zit al boven de grens.
Welke arbeidsfactor vul ik in?
Laat het veld leeg (cos φ = 1) voor kachels, waterkokers en gloeilampen. Voor motoren en veel voedingen gebruik je 0,8 tot 0,95, waardoor de stroom voor hetzelfde vermogen hoger wordt.
Wanneer kies ik driefasen?
Voor apparaten die op drie fasen zijn aangesloten, zoals een warmtepomp, een inductiekookplaat of een laadpaal. Het antwoord is de stroom per fase, met U de spanning tussen twee fasen.